
Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.
Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)
Meer informatie over de chat-service? Klik hier
Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.
Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)
Meer informatie over de chat-service? Klik hier
In gebruik genomen: c. 1400
Buiten werking gesteld: 1942
Tussen 1275 en 1350 werd de Maas tussen ’s-Hertogenbosch en Grave van dijken voorzien. Stroomopwaarts bij Cuijk waren dijken veel minder nodig, omdat hier de rivierduinen en oeverwallen hoog genoeg waren om de rivier in haar stroombedding te houden.
Maar het traject tussen Grave en Empel was door de bedijkingen smaller geworden. En dat, samen met het grote aantal meanders van de rivier, maakte de afvoer van uitzonderlijk grote hoeveelheden water lastig. Bij langdurige regens in de Ardennen kwam het dan ook regelmatig voor dat de Maas buiten haar oevers trad en het omringende land overstroomde.
Het systeem van de overlaat was beter dan ongecontroleerde, willekeurige overstromingen. Het water dat bij Beers over de lage oeverwal liep, zocht zijn weg vervolgens via het achterland naar het westen. Het ging zo bijna 40 kilometer verder richting ’s-Hertogenbosch om daar via de Dieze uiteindelijk de Maas weer te bereiken.
Deze soms kilometersbrede traverse van water kreeg later de naam “Beerse Maas” of “groene rivier”.
Al in de zestiende eeuw veroorzaakte het “Berzewater” aanzienlijke schade in de regio. Het Bossche stadsbestuur probeerde samen met de dorpen uit het Maasland, het Land van Megen en het Land van Ravenstein de schade te beperken met een stelsel van dwarsdijken vanaf de Maas landinwaarts. Voorbeelden hiervan zijn de Groenendijk tussen Haren en Deursen en de Erfdijk bij Herpen.
Maar wat voor de een bescherming biedt, geeft voor de ander extra overlast. Die tegengestelde belangen en de daarmee gepaard gaande ruzies zorgden ervoor dat het afwateringssysteem nu eens wel en dan weer niet functioneerde.
Pas na 1800 accepteerde men meer algemeen de noodzaak van de Beerse Maas. Dat leidde tot het inzicht dat de “groene rivier” zo onbelemmerd mogelijk moest kunnen stromen. Obstakels werden in het gebied van de traverse dan ook opgeruimd om een vlotte afvoer van het water te verzekeren.
De Beerse Maas had een sterk negatieve invloed op de agrarische en sociaal-economische ontwikkeling van het hele Maasland. Stadjes en dorpjes langs de Maas waren wekenlang geïsoleerd. Honderden hectare vruchtbare grond konden alleen maar als hooiland gebruikt worden. Om de schade nog enigszins beperkt te houden, werd de regel ingesteld dat de Beerse Overlaat alleen tussen 15 november en 15 maart mocht werken.
De Overlaat kwam in werking als de Maas bij Grave een waterstand bereikte van ongeveer 10 meter NAP. ‘De Maas is om’, heette het dan. Dat gebeurde iedere winter wel twee- of driemaal. Om de boeren te waarschuwen, schoot men in Grave een kanon af. De boeren konden dan de beesten binnenhalen en proberen om have en goed in veiligheid te brengen.
Door de normalisatie van de Maas kon de Beerse Overlaat in 1942 buiten werking worden gesteld.