
Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.
Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)
Meer informatie over de chat-service? Klik hier
Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.
Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)
Meer informatie over de chat-service? Klik hier
Toen ik kort geleden in een achttal vervolg artikelen de BOSSCHE GOUDINDUSTRIE in de laatste halve eeuw in dit blad en ook later in brochure heb beschreven, mocht dit van vele zijden erg veel belangstelling wekken. Vooral de zo gunstige beoordeling daarvan en aansporing om ook nog eens een meer algemene geschiedenis van onze goede oude Hertogstad, leven en belevenissen van hare bewoners te vertellen, door onze Bossche oudheidkundige en historicus, de Heer Jan MOSMANS, deed mij besluiten daaraan gevolg te geven.
Geenszins is het echter mijne bedoeling een dorre opgave van jaartallen en cijfers; ik zou in de gewone, eenvoudige, leuke Bossche taal en verteltrant (over het algemeen de geboren en getogen Bosschenaar uit die tijd zo eigen) willen vertellen, wat ik in die 65 jaren, met goed rondkijken en opmerken persoonlijk gezien, gehoord en beleefd heb en dus met de Proloogs……s van “Die zevenste Bliscap” willen zeggen,
“Ick doe ’t uyt minne, en zonder envye”
PIET BOSSCHENAAR
Ter opfrissing van het geheugen der ouderen en ter oriëntering van de jongeren zou ik willen beginnen met een wandeling om de stad die b.v. in 1870 (en veel later ook nog) met zijn wallen en borstweringen, zijn poorten, uitgangen van, en naar de stad, met al zijn kruittorens met schietgaten, bastions met kanonnen, kruitmagazijnen enz. nog precies hetzelfde was als eeuwen geleden.
We beginnen aan de Vughterpoort, een prachtige hoge monumentale poort, met bovenverdieping, (waar bureau’s van de genie waren,) waarvan bestaan nog vele en mooie foto’s. Men ging de poort door, en een soort ruimte in, zeskant, bedoeld als een ruimte voor uitvaltroepen, en dan de eerste brug op, de poort even nog naar rechts, waar thans die lichtmast op dat ronde plein staat. De eerste brug was een grote over de stadsgracht, die rondom de gehele stad liep en vooral daar nogal breed was. Na de eerste brug was een brede keiweg aan weerszijde breed uitgebouwd met hoge borstwering en dan een tweede brug welke aanmerkelijk kleiner was. Op korte afstand daarvan een derde brug, weer kleiner, over een z.g. wiel, overeenkomende met ’t einde van onze tegenwoordige Vughterbrug en die links ook in de Dommel uitmondde.
De Vughtse weg op, een mooie flinke weg, met aan weerszijde hoge Canada bomen, kwam men vooraan links langs de z.g. vuilnisplaats, vanaf de grote weg met een smaller wegje te bereiken, waar straatvuil gestort werd ( de stadsreiniging was toen nog particulier, en werd voor een vast bedrag jaarlijks aangenomen bijna altijd door een zekere Kwaaitaal, later ook door anderen van Beek etc. ) en ook vee dat moest worden afgemaakt, gevild en begraven werd. Rechts was alles laag land, moeras en wielen, waar jongens die in de buurt woonden, menige louw, rietvoorn etc. gevangen hebben, en ook een wegje liep voor voetvangers om uit de wind te lopen, alles tot aan de weg waar thans de overweg naar de Vughtsche hei en Kazerne is.
Vanaf de Vughter weg, rechtuit kwam met iets aflopend voor een klein fort, hoewel inbouw, en alles als een gewoon groot, met rondom een gracht, vestingmuren, met borstwering, vanaf de grote weg te bereiken met een brug in ’t midden met een poort gesloten met ijzeren punten, voor ’t neven klimmen te beletten, in de volksmond het “paardenfortje” genoemd, omdat daar militaire paarden (die soms nog daar om gebroken poot of andere reden werden doodgeschoten en begraven werden), een paardenkerkhof dus. Rechts daarom heen ging men met een mooie weg, parallelweg genoemd, aan weerszijden met hardstenen paaltjes en verbonden met ijzeren stangen (nog te zien) naar Vught, en waar Vught nu vanaf mijn prilste jeugd geheel in en met Den Bosch leefde, evenals dagelijks Den Bosch in en met Vught. Vooral ’s Zondags was heel Den Bosch in Vught waar huisvaders en moeders die met hun kroost, samen 8 a 9 man, in ’t huisje ten Halve of bij Lambert de Veer met breed gebaar een kruik bier bestelde, (Bosch gerste, met 6 of 7 glaasjes erbij, die helemaal 9 of 10 cent kostte,) was dat voor het hele gezin een uitgaansdag.
Even voor het huisje ten Halve (in de wandelgang het houten huisje genoemd, omdat ’t geheel van hout was opgetrokken, van de grond af, wat volgens voorschrift van de genie, Ministerie van oorlog niet anders mocht, om bij beleg of verdediging der stad in elkaar geslagen, of in brand gestoken moest worden) dus ook even voor de Loonsche baan, waar men naar Cromvoirts Welvaren van Drieske de Jager ging, was geheel op volle breedte van de weg, een gele tolboom, die aan de rechterzijde wegdraaide en waar tol betaald moest worden volgens daarbij hangend reglement: “voor voertuig op twee wielen zooveel……., voor vier wielen zooveel….”enz. enz.(voetgangers gingen links over een smal paadje vrij) en dat door de bewoners van ’t huisje ten Halve geïnd, geopend en gesloten werd, vanaf Den Bosch tot daar, was geheel laag wei of grasland.
Vught bestond voornamelijk uit grote en mooie, buitengoederen, ‘Berenstein’, Sophiaburg, even verder naar de Gestelscheweg ’t landgoed van Jhr. van Tats, met zijn eendenvijvers en watervallen, buitengewoon groot en mooi, en wat ’t mooiste was, ’s zondags vrij voor het publiek toegankelijk en waar uit respect daarvoor door de ouders streng werd opgelet dat hun kinderen niet op ’t gras liepen of iets beschadigde, hoewel aan de ingang stond “Honden en jongens erbuiten”. Bedoeling was natuurlijk jongens zonder toezicht, waar dan ook door tuinlieden streng opgelet werd (werd altijd voor donker gesloten) en van welk voorschrift door meisjes een leuk en heerlijk misbruik werd gemaakt (maar waar maken die als ’t arme jongens betreft geen misbruik van) om hun jongen aan de ingang los te laten en alleen naar binnen te gaan, wijzende op dat paaltje met opschrift.
Firma Wed. J. Loretz. Bron: BHIC fotonummer FOTOVU.0351)
Recht tegenover het marktveld “St Joris” was de ingang over Berenstein. Maurick, daar mocht men over, de middenweg volgend, als men naar St Michielsgestel moest, en dus in plaats van door de z.g. Vughtse akker, de weg enorm bekorten, doch moest daarvoor voor men bij het z.g. sluisje op de Gestelschen weg kwam, een gesloten hek laten openen, wat een cent per persoon kostte, een particulier tol.
Even voorbij de ingang van het buitengoed “Berenstein”, aan de zijde van de hoofdweg naar St. Michielsgestel, stond de Vughtsche Kerk, een groot vierkant gebouw, binnen geheel stukadoorswerk, een z.g. staatskerk, veel overeenkomende met de voormalige Kruiskerk hier, en evenals die met vijf trappen hoog naar de ingang, berekend op hoog water.
Later is op ’t einde van het Marktveld, een nieuwe Kerk gebouwd en oude Vughtenaren zullen zich zeker herinneren, dat daaraan treurige herinneringen verbonden zijn, daar tijdens de bouw het grote gewelf is ingestort, waarbij acht mensen de dood vonden.
Evenals later bij de kerk in St. Michielsgestel, zou door de Rechtbank in Den Bosch, de schuldvraag onderzocht worden, en nog tragischer werd het geval, toen daags voor de behandeling daarvan de hoofdgetuige , uitvoerder-opzichter, van de steiger viel, morsdood en vermoedelijk dan ook dientengevolge de verdere behandeling is moeten worden gestaakt, althans er werd niets meer van gehoord.