skip naar content skip naar hoofdnavigatie spring naar service navigatie
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Marte Stoffers
Marte Stoffers Bhic
Menu
sluit
Hulp nodig?

Chat is online op maandag t/m vrijdag van 10.00 - 16.00 uur en van 19.00 - 22.00 uur.

Op dit moment zijn we offline. Je kunt je vraag stellen via e-mail of WhatsApp: 06-12887717 (alleen berichtjes)

Meer informatie over de chat-service? Klik hier

Online op dit moment

Stel je vraag

Marte Stoffers
Marte Stoffers Bhic

Een inwoonster uit Waalwijk met bijzondere bezittingen

Spittend door de oude archieven kom je soms verrassende dingen tegen. Een bijzondere is die over de familie Scholten.

De Berbice

Omdat Willemina Pronck de weduwe van Willem Scholten in ondertrouw is gegaan wordt er een staat van inventaris opgemaakt van haar bezittingen en hierbij zit wel een heel bijzondere bezitting.
Haar man Willem Scholten is overleden in West-Indië in het kustgebied genaamd “de Berbice”. West-Indië bestond uit een aantal koloniën op de Noordkust van Zuid-Amerika. Nu bekend als Republiek Guyana.

Jan Daniël Knapp, Naauekeurige Plattegrond van den Staat en den Loop van Rio de Berbice. Met derzelver Plantagien in de Geoctroyeerde colonie de Berbice gelegen, 1742 (bron: Rijksmuseum, Amsterdam)
Jan Daniël Knapp, Naauekeurige Plattegrond van den Staat en den Loop van Rio de Berbice. Met derzelver Plantagien in de Geoctroyeerde colonie de Berbice gelegen, 1742 (bron: Rijksmuseum, Amsterdam, via Wikimedia Commons; publiek domein)

Weduwe in Drunen

Willem Scholten was in gemeenschap van goederen getrouwd met Willemina Pronck en zij is van plan te trouwen met Jean Jacques Kursteiner, die in Waalwijk woont. De weduwe heeft uit haar eerste huwelijk een minderjarige zoon, Jan Petrus Scholten.

Advertentie van de ondertrouw van Willemina Pronck en Jean Jaques Kursteiner
Advertentie van de ondertrouw van Willemina Pronck en Jean Jaques Kursteiner

Ze wordt bijgestaan bij de inventarisatie door haar zwager Johannes Steinbuch. Steinbuch is tevens de momboir (voogd) van haar zoon. Waarschijnlijk woont ze op dat moment bij haar zwager, haar moeder woonde tot haar dood in 1795 ook in Drunen en ook haar zwager en haar halfzus wonen ten tijde van het huwelijk in Drunen. Vanwege deze familiebanden is ze, na haar vertrek uit West-Indië, in Drunen komen wonen.

Tweede huwelijk

Op 21 juli 1800 verschijnt Wilhelmina Pronck voor de schepenen van Nieuwkuijk en ze verklaart dat ze op basis van een testament van 9 oktober 1791 de enige erfgename is van haar man. In het testament is o.a. vastgelegd dat bij een eventueel tweede huwelijk zij moet zorgen voor een goede opvoeding van haar kind(eren) en dat het vermogen onder haar blijft berusten tot de kinderen meerderjarig zijn. Omdat ze plan is om weer te gaan trouwen heeft ze besloten aan haar enige zoon uit het bezit van zijn vader een bedrag van ƒ 13.000,- toe te kennen. Ze zal zorgen dat genoemd bedrag aan haar zoon tijdig zal worden uitgekeerd.

Dezelfde dag wordt er in verband met het voorgenomen huwelijk van Kursteiner en de weduwe Scholten, een akte van huwelijkse voorwaarden opgemaakt voor de schepenen van Nieuwkuijk. Ze leggen daarin o.a. vast dat de bezittingen die ze in het huwelijk zullen inbrengen zullen vastleggen in een staat van inventaris. Verder zullen alle erfenissen en inkomsten e.d. tijdens het huwelijk ten goede komen van het gezamenlijke huishouden. Voor schulden gemaakt voor of tijdens het huwelijk zijn ze niet aansprakelijk, maar deze komen ten laste van degene die de schuld gemaakt heeft. De bruidegom mag zich niet bemoeien met het beheer van haar goederen en hij mag deze niet als onderpand o.i.d. gebruiken voor het aangaan van leningen. Als de bruid eerder dan de bruidegom komt te overlijden dan krijgt hij een bedrag ƒ 10.000,-.
Of deze overeenkomst aan de basis staat van de echtscheiding die al ongeveer anderhalf jaar na het sluiten van huwelijk wordt vastgelegd is niet duidelijk, maar een en ander zal zeker een rol bij de ontstane meningsverschillen hebben gespeeld. In ieder geval Kursteiner is er na een korte periode van “huwelijks geluk” financieel niet slechter van geworden.
 
De scheiding van tafel en bed wordt vastgelegd in een notariële akte. Als reden van de scheiding wordt vermeld dat er “verregaande onlusten en onenigheden” zijn ontstaan. Nadat de ruzies waren bijgelegd zijn dezelfde onenigheden weer “opgekomen en uitgebarsten’, en wel in die mate dat als men langer zou blijven samenwonen er “groot onheil van zou komen.”  

Verder komen ze o.a. overeen dat Kusteiner al zijn bezittingen die hij bij het huwelijk heeft ingebracht mag houden en van zijn vrouw 10 schuldbrieven van ƒ 1.000,- per stuk krijgt. Daarnaast een bedrag van ƒ 2.400,-, te betalen in drie termijnen. Hij krijgt verder jaarlijks een bedrag van ƒ 400,- gedurende het verdere leven van zijn vrouw of tot zijn eventuele sterfdag.
Willemina Pronck behoudt alles wat ze bij haar huwelijk heeft ingebracht of verkreeg tijdens het huwelijk. De huwelijkse voorwaarden zijn niet meer van toepassing. Beide partijen zijn niet meer aansprakelijk voor gemaakte schulden door de andere partij na deze scheiding. Kursteiner moet direct haar woning verlaten en mag zolang Willemina in Waalwijk woont, om verdere ”droefenisse” te vermijden, niet meer in Waalwijk komen wonen.

Willem Scholten in de Berbice

Willem Scholten, de eerste man van Willemina, wordt verschillende malen vermeld op de naamlijst van inwoners van Berbice uit 1794 en wel als ouderling van de Gereformeerde Gemeente, als Weesmeester en als burger-kapitein in de bereden divisie. Op dat moment staat jonkvrouw Anna Clementia Crop weduwe van Hendrik Hoffham nog geregistreerd als eigenaresse van de plantage Anna Clementia; daarvoor was de naam van de plantage Elizabeth Adriana.

Overlijdensadvertentie van Willem Scholten
Overlijdensadvertentie van Willem Scholten

Plantage Anna Clementia

In het Engelse Nationale Archief is een inventarisatie aanwezig van de plantages in het jaar 1818 in o.a. de Berbice. Onder nr. 1 wordt vermeld de plantage Anna Clementia, groot 750 akkers, gelegen in Rio Canje, kolonie Berbice. 1 Akker [acre] is hier waarschijnlijk gelijk aan de Surinaamse Acre nl. 0,43 hectare; de grootte van de plantage is dus 322,5 hectare. De eigenaren zijn de Erven Pieter Engelen te Amsterdam, Hendrik Elzer te Amsterdam, Barthelemy Lourens Boijer de Camprieu, getrouwd met Geertruij Helena van de Velde, wonend in ’t Haije en Wilhelmina Kursteiner-Pronck te Waalwijk, ieder voor een vierde deel. De plantage is niet bezwaard. Waarschijnlijk zijn ze de erfgenamen van Anna Clementia Crop. Vermoedelijk is zij een familielid en is de plantage die haar voornaam draagt mede hierdoor in handen van de familie Scholten gekomen.
De inventarisatie is gemaakt vanwege een verdrag tussen Nederland en Engeland over de koloniën, die na 1795 onder Engels gezag hadden gestaan. Na de val van Napoleon werd overeengekomen dat Engeland de koloniën teruggeeft, met uitzondering van Kaap de Goede Hoop, Essequebo, Demerara en Berbice. Hierbij worden ook afspraken gemaakt voor de Nederlandse eigenaren, zoals 5 jaar vrije handel voor Nederlandse schepen en bescherming van de hypotheekhouders.
In “Brieven over het bestuur der Colonien” komt een beschrijving van de plantage Anna Clementia voor. De plantage wordt beschreven met gronden van de allerbeste soort. De plantage is in eerste instantie aangelegd voor de cacao-teelt, maar nu teelt men ook koffie en katoen. In 1846 is de plantage niet meer in het bezit van bovengenoemde families. Als eigenaar wordt dan James Forsyth genoemd.

De plantages aan de Rio Canje in 1742. Detail van: Jan Daniël Knapp, Naauekeurige Plattegrond van den Staat en den Loop van Rio de Berbice. Met derzelver Plantagien in de Geoctroyeerde colonie de Berbice gelegen. Bron: Rijksmuseum, Amsterdam, via Wikimedia Commons; publiek domein)
De plantages aan de Rio Canje in 1742. Detail van: Jan Daniël Knapp, Naauekeurige Plattegrond van den Staat en den Loop van Rio de Berbice. Met derzelver Plantagien in de Geoctroyeerde colonie de Berbice gelegen. Bron: Rijksmuseum, Amsterdam, via Wikimedia Commons; publiek domein)

De erfenis

De bezittingen van Willemina Pronck en wijlen haar man bestaan volgens de opgemaakte inventaris in Drunen uit het volgende:
Een vierde gedeelte van een (onverdeelde) plantage genaamd Anna Clementia, gelegen in West-Indië op de kust genaamd Berbice. Op de plantage werken 170 slaven. De plantage is 750 akkers groot. De hele plantage wordt door de weduwe zelf geschat op een waarde van ƒ 80.000,-. Haar aandeel is dus ƒ 20.000,-.
Verder waren toen haar man nog leefde in hun huis 20 huisslaven, zowel mannen als vrouwen, aanwezig.

De weduwe heeft bij haar vertrek uit West-Indië de heer  De Vreij, Gouverneur ad interim, gemachtigd om de plantage te exploiteren.
Verder is ze in het bezit van wisselbrieven en andere plantages die in Engeland liggen en die zij nu schat op een waarde van                                                                                           ƒ 24.000,-
Een onderhandse obligatie, met een rente van 4%                                     ƒ   4.000,-
Ze heeft een huis gekocht in Waalwijk voor het kapitale bedrag van         ƒ   3.900,-
Een onderhandse obligatie met een rente van 4%                                     ƒ      350,-
Ze kan geen opgave doen van de aanwezige contanten ten tijde van het overlijden van haar man, die zijn overigens uitgegeven aan kosten vanwege zijn overlijden. Van de inboedel in Berbice kan ze geen opgave doen, ze heeft die verkocht.
Haar bezittingen van goud en zilverwerk zijn: een gouden horloge met een gouden ketting, enkele gouden en zilveren bijouterieën, twaalf zilveren tafellepels, vorken (fourcetten), een Japanse punchkom met een zilveren deksel en lepel, enkele zilveren theelepeltjes en nog wat kleinigheden.
Verder verklaart ze dat de plantage bezwaard is met een schuld van ƒ 40.000,- , haar aandeel hierin is dus ƒ 10.000,-.
Of de inventaris serieus en geheel naar waarheid is opgemaakt valt overigens te betwijfelen. Als de regering bij het afschaffen van de slavernij een vergoeding voor de slaven geeft van 300 gulden, dan is de waarde van de aanwezige 190 slaven ƒ 57.000,-  in waarde al bijna gelijk aan de opgegeven waarde van de plantage van  ƒ 80.000,-.  De waarde van de slaven is rond 1800 waarschijnlijk echter het dubbele van 300 gulden, in totaal een aanzienlijk bedrag dus in die tijd.

Van dit verhaal is een uitgebreide en geannoteerde versie beschikbaar. Wil je dat lezen?

Klik hier voor het volledige verhaal

Reacties (2)

Mariët Bruggeman
Mariët Bruggeman bhic zei op 23 december 2022 om 13:46
Bedankt voor dit verhaal waarin ons slavernijverleden erg dichtbij komt, Bert.
Ondanks al haar geld is het triest om te lezen dat de weduwe in haar tweede huwelijk niet gelukkig is geworden.
Margot America
Margot America bhic zei op 16 januari 2023 om 11:45
Wat een mooie vondst Bert! Een interessant verhaal.

Reageer op dit verhaal

Heb je al een account? Log in met je gegevens.

Heb je nog geen account? Plaats zonder inloggen, of Registreer een account

Help spam voorkomen en los de volgende som op:
Geef mij een andere som.